zaterdag 15 december 2012



Midden in mijn atelier staat een muur van beton. Hard, koud, kaal, meer dan manshoog. Je kunt er niet omheen (wel er dóórheen want er zit een deur in, maar daar zit een slot op, aan de binnenkant). Het is een groot, leeg vlak beton. En ik heb me voorgenomen dat zo te houden: niets er aan ophangen, niets er tegenaan zetten. Dat zal me nog niet meevallen. Maar dat is wat ik ermee wil: niets. Ik noem het  de leegte

Leegte is iets anders als ruimte: ruimte ga je binnen, wil je gebruiken, inrichten. Ruimte is om te veroveren, te claimen voor jezelf. Ruimte geef je aan de ander, deel je met elkaar. Ruimte kun je scheppen. Ruimte kun je voelen, beleven. Met ruimte kun je alle kanten op. Met leegte kun je dat niet. Met leegte kun je niets. Leegte ís niets.

Altijd weer streven wij, mensen, ernaar van de leegte een ruimte te maken. Lees er de grote verhalen van de mensheid maar op na: eerst wordt er ruimte geschapen en dan, dan gaat het beginnen. Zo gaan al onze verhalen, nog steeds, die scheppingsdrang in ons is onvervreemdbaar.

En toch- elk waar verhaal cirkelt rondom iets dat wel benoemd wordt, maar zich ook altijd weer onttrekt aan benoeming, definiëring, begrijpen -een leegte. Gaandeweg leer ik steeds beter die leegte te respecteren: niet in te vullen, maar uit te houden. Daarom ben ik hier gaan wonen, op het eind van de wereld, waar ‘niets’ te beleven is. Daarom ook dat blok beton waar ik ‘niets’ mee wil.

Toch kan ook ik het natuurlijk niet laten - ik heb een beetje ruimte geschapen in de leegte: ik heb er een lichtje bij gezet. Kerstmis, weet je wel. Maar dat lichtje haal ik ook zo weer weg. En dan leg ik er een steen neer, of een appel. Of een bijl. Of gewoonweg niets. Het liefst helemaal niets. En dat dan onder ogen zien, en gewoon maar zwijgen… Of hooguit Rutger Kopland nog citeren: 

‘…een lege plek voor iemand, om te blijven.’

zondag 25 november 2012



Mysterieuze tekens, iets van "Rätsel" en "Lösungen", in het Duits én in spiegelschrift. Te zien op de achterkant van het houtsnijwerk in de deur waar ooit de winkeldeur van de bakkerij was. Dat houtsnijwerk zelf vormt een soort knoop. Wat is het raadsel van dit huis? Wie zal de knoop ontwarren, het geheim ontcijferen...?



Ik voel me nog steeds niet helemaal thuis in mijn nieuwe huis, al vordert de inrichting ervan voorspoedig. Het wordt mooi, hier binnen! Maar het huis is nog niet "van mij". Er moet nog veel gebeuren: het dak van de beoogde expositieruimte is verkeerd gelegd en dat zorgt af en toe voor lekkage. Daar moet dus een nieuw dak op. Je huis, dat is je basis, daar moet je je zeker en veilig voelen. En zolang dit huis nog niet 'waterdicht' is voel ik me nog niet helemaal zeker en veilig. Vandaag raast de eerste echte herfststorm van dit jaar door de bomen en rond de dakpannen... 

Ach, ik wist dat ik een oud huis kocht, en dat er dus altijd onaangename ontdekkingen te verwachten zijn. En er zijn ook positieve dingen te melden: de laatste verbouwing heeft gezorgd voor  luxe wooncomfort, de inrichting vordert zoals gezegd gestaag, en het wordt zo langzamerhand een warme, gezellige woning. Eindelijk kan ik hier meubels en andere spulletjes kwijt waar ik in Nes en in Amsterdam geen ruimte voor had. In die zin wordt het huis wel steeds meer "van mij".

Hier onder tweemaal het huis: de actuele situatie en op een oude prentbriefkaart. Je ziet het Tsjerkepaad (op Google Maps abusievelijk als Bakkerspaad aangegeven) dat langs huis en schuur naar het kerkhof en de eeuwenoude hervormde kerk loopt; links het huis, met winkeldeur en etalageraam. Op de prentbriefkaart zie je rechts het huis van de buren; op "mijn" huis ontbreekt nog de bovenverdieping, en er is ook nog geen bakkerswinkel gevestigd, zo te zien. Wanneer de verbouwing tot bakkerij, door G. Geertsma, heeft plaatsgevonden weet ik niet- wel dat diens schoonzoon S. Hiemstra de bakkerij op een gegeven moment heeft overgenomen en voortgezet tot 1972. Daarna is er een kunstenaar komen wonen, die het houtsnijwerk in de winkeldeur heeft gemaakt.


Maar welk "raadsel" bedoelde hij? En waar zou de "oplossing" gevonden kunnen worden...?

maandag 5 november 2012



Handen die deeg tot brood kneden, op een vloertegel in de gang van mijn nieuwe huis: een verwijzing naar de geschiedenis er van. Ooit gebouwd als boerderij, in een tijd dat iedereen in het dorp wel een paar koeien of schapen had, werd het later de bakkerij van Peazens. Het huis staat dan ook aan het Bakkerssteechje. Tja, als je achternaam 'Koek' is kun je gaan zwerven zo veel je wil- uiteindelijk kom je toch op het Bakkerssteechje terecht, in de oude bakkerij...

Een bijpassend citaat vond ik bij Nescio, in Titaantjes uit 1914. Natuurlijk vanwege 'Koekebakker', maar ook omdat het kunstenaarschap er op zo'n heerlijk ironische manier wordt gerelativeerd. Ik heb het citaat op mijn adreswijziging gezet. Misschien laat ik die regels nog eens op de muur van de grote zaal schilderen, en wordt dat 'Galerie Koekebakker'!

En dan is er hout. De vloeren van de woonkamer, mijn slaapkamer, het kleine kabinetje en voornoemde grote zaal zijn van echte planken. Prachtig! En ze kraken, zoals het hoort. Hout: je staat er op en het klopt.



Brood. Hout. Klei, steen. De pure materie is zo mooi, zo 'af', vooral ook als het door mensenhanden getransformeerd is tot iets dat met het basale leven zelf te maken heeft. Die realiteit heeft al magie genoeg, daar hoef je geen esoterisch gezwets meer aan toe te voegen. 'Magisch realisme' is kitsch! En spiritualiteit is concreet, tastbaar, lichamelijk.

Mijn nieuwe huis... Het is niet nieuw, bepaald niet. Het heeft een geschiedenis. Het heeft karakter. Daarom voel ik me er nog niet helemaal 'thuis'. Ik moet het huis nog veroveren. Of het huis moet zich nog om mij heen plooien, hoe zeg je dat. En dat niet alleen omdat het zo groot is - als je hier voor het eerst binnen komt verdwaal je echt, dat is al diverse mensen overkomen! Maar ik voel ook dat het huis en ik als het ware nog aan elkaar moeten wennen. Mijn verhaal en het verhaal van het huis vallen niet met elkaar samen. Nog niet. Dat komt nog wel, dat moet groeien, dat heeft tijd nodig. Die tijd moeten we er maar eens voor nemen, het huis en ik.

Mijn ervaring: de beste (en leukste) manier om een huis 'in te wijden' is er seks te hebben. Zoals ik al zei: spiritualiteit is concreet, tastbaar. Lichamelijk!

zondag 21 oktober 2012


De verhuizing komt eraan, maar het duurt allemaal weer veel langer dan ik gedacht, of gehoopt had. Morgen wordt het toekomstige grote atelier professioneel gereinigd, en vindt er overleg plaats over schilder- en behang werk in de woonkamer en nog wat klussen in en om het huis. Wat er al wél is: een etspersje! In één moeite door ook maar even op de kop getikt. Als het 's winters te koud is om in het grote atelier te werken, kan ik altijd aan de gang in het kleine atelier: tekenen, kalligraferen, en voortaan dus ook grafisch werk. Ik heb er zin an!

maandag 15 oktober 2012

In Historisch Centrum Leeuwarden, in de Eekhoffzaal, is momenteel de expositie Saskia, meer dan Rembrandts muze te zien: een collectie moderne schilderijen geïnspireerd op Saskia van Uylenburgh, de vrouw en muze van Rembrandt. Ze komt er in de geschiedschrijving bekaaid van af. Een eenvoudige Hollandse boerendochter, dat is het beeld dat we van haar hebben. Dat was ze niet: ze was afkomstig uit het noordwesten van Friesland, en haar vader was verbonden aan de toenmalige Academie van Franeker, in de zeventiende eeuw een vermaarde universiteit. Haar betekenis voor Rembrandt als persoon, maar ook als schilder, wordt sterk onderschat. Daarom wordt ze deze winter hier in Leeuwarden voor het voetlicht gehaald. 

Hennie Dijk maakte, in dit verband, van mij en nog een aantal kunstenaars/ressen (onder andere van onze kunstenaarsgroep ARTchipel) een schets in de trant van een tekening die Rembrandt, kort voor hun huwelijk,  maakte van Saskia. Ik zat daar dus als Saskio. Wie van deze twaalf ben ik?




donderdag 4 oktober 2012

"Niet alleen je werkruimte is je atelier - je state of mind, je state of being zelfs, zijn 't nog veel meer!" schreef ik op 1 juli 2012. Ik was toen bezig met de eventuele aankoop van een huis met atelierruimte - een hele kleine atelierruimte om eerlijk de waarheid te zeggen, nauwelijks groter dan wat ik had (en nu nog even heb). "Het atelier stopt niet bij de drempel, het loopt door... het land daarachter, ver voorbij de horizon." was ik van plan daar in het vensterglas te graveren. Alles om me er aan te blijven herinneren dat je denkruimte, je gevoels- en belevingsruimte je werkelijke werkruimte zijn. Maar ook om mezelf te verzoenen met een concrete werkruimte die niet veel voorstelde.

Nu is dat niet meer nodig. Nog even en ik heb de beschikking over een atelier dat minstens vier keer zo groot is als wat ik nu heb! Mét nog een kleinere werkruimte ernaast. Morgen ga ik de sleutel halen van mijn nieuwe huis, dat op een heel andere plek staat. Nóg noordelijker...



Maar het blijft natuurlijk waar, wat ik afgelopen zomer schreef. Hoe groot en goed geoutilleerd je atelier ook is - het gaat om je manier van kijken, je manier van denken en voelen, de manier waarop je ruimte (zowel innerlijke als uiterlijke) beleeft. De manier waarop je in het leven staat, dat is de basis. En die basis heb ik, mag ik nu na zoveel jaar eindelijk wel zeggen, geloof ik.

KunstKantoor 2012 is ontruimd. De andere twee HOMUNCULI, nr. 2450820.833333 en nr. 2451362.958333 heb ik ook maar in mijn portfolio opgenomen, naast die met dat ei. Ook die twee hebben hun functie in het geheel, en zó slecht zien ze er nu ook weer niet uit!

vrijdag 28 september 2012

Exact een jaar geleden, op 28 september 2011, opende ik dit logboek met een stukje over de zwerfkiezelstenen die hier bij het aardappelrooien op de akkers gevonden worden. Miljoenen jaren geleden, in de voorlaatste IJstijd, zijn ze door de gletsjers vanuit het Hoge Noorden hierheen getransporteerd, en vervolgens in de onafzienbare loop der jaren met lagen sediment bedekt. Langzaam woelt de aarde de stenen omhoog, nu komen ze weer aan het licht... 

Ik ga een grapje uithalen  met die stenen: ik ga ze laten dansen! Een stukje lasdraad met een puntje bladgoud legt de verbinding tussen aarde en hemel. Het lasdraad maakt een hoek van ongeveer 53˚ met het horizontale vlak, overeenkomstig onze plaatselijke breedtegraad. Als je het lasdraad met behulp van een kompas op het noorden richt, wijst het puntje naar de poolster - en kijk:  de steen danst schijnbaar aan de zwaartekracht ontheven naar het ware noorden, the true north!

Het jaar is rond, de aarde is éénmaal rond de zon gedraaid, en het lijkt me leuk om dit moment op deze manier te markeren.


woensdag 26 september 2012

Na de eerste herfststorm van dit jaar heerst er stilte. Even een paar dagen rust. De expositie ZomerKunstKantoor in Dokkum loopt op z'n eind. We moeten het gewoon toegeven: op de openingsdag na was er bedroevend weinig belangstelling. Ik vraag me af hoe ARTchipel verdergaat. Ook Kees 't Hoen, die twee jaar geleden een galerie opende vlak bij ons KunstKantoor, geeft de pijp aan Maarten. Commercieel gezien zit er weinig kunstmuziek in het noordoosten van Friesland. Gelukkig hebben hij en wij contacten gelegd en zal er nog wel samengewerkt worden, in een of andere vorm, in een ander deel van het land wellicht.

Maar gelukkig hoef ik niet commercieel te werken, dus ik ga vrolijk verder: het koopcontract voor mijn nieuwe huis-met-atelier-en-zelfs-expositieruimte is getekend, volgende week vindt de overdracht plaats. De nieuwe locatie is in Paesens-Moddergat. Ja, dat is een dorpje verderop. Maar het is dichter bij de zeedijk en die eindeloze, uitzichtloze leegte die mij zo fascineert...

Bij gelegenheid van de verhuizing verander ik ook de naam van mijn blogspots, en er komt een blogspot bij (klik hierboven op actueel): ik ga verder als STUDIO TRUE NORTH.

vrijdag 21 september 2012

Een dilemma. Naar aanleiding van een gedachtewisseling met A.S. Over het aankopen van kunst, van iets dat je mooi vindt, dat je zou willen "hebben". 

Ik weet dat ik het eeuwige leven niet heb. Beter gezegd: dat ben ik mij bewust, véél meer dan toen ik nog jong en levenskrachtig was (dan 'weet' je dat ook wel, maar je bent het je niet bewust). Ik kwam schitterende kleurenetsen tegen, waarvan ik er minstens één zou willen "hebben'' - maar. Na mijn dood vallen ze hoogstwaarschijnlijk in handen van mensen die de waarde en de schoonheid ervan niet inzien, hoogstens geïnteresseerd zijn in de geldswaarde ervan. Moet ik die etsen dan wel kopen, vraag ik mij af?

A.S.: "Dat maakt me niet uit. Wat belangrijk is, is dat ik er nú van kan genieten. Wat mijn nakomelingen er van vinden, en er mee doen, interesseert me niet."

A. heeft een punt. Maar aan de andere kant: die dingen hebben niet alleen waarde en betekenis voor mij - ze hebben wellicht ook een intrinsieke waarde. En daarom mogen de dingen die ik bij leven wil "hebben" na mijn dood niet in handen vallen van mensen die de intrinsieke waarde ervan niet inzien. Koop ik die dingen dan toch, in de wetenschap dat ze na mijn dood worden verkwanseld of zelfs gewoon weggegooid, dan pleeg ik verraad aan de schoonheid en de waarde van die dingen die die dingen 'eigen' zijn.

Sleutelwoorden in deze zijn ik en mij, en intrinsieke waarde (waarde der dingen die 'ik' en 'mij' overstijgt). Ik kom er niet uit. Toch moet ik hier binnenkort wel uit zien te komen. Ik sta namelijk op het punt wat dingetjes te kopen (nee, niet die etsen waar ik het over had.)

De echte vraag is natuurlijk, in de praktijk: aan wie laat ik het spul na, zodat die intrinsieke waarde ervan wél recht gedaan wordt? Tja. Ik heb ooit eens een aanbod gekregen om mijn nalatenschap te beheren, van mensen met wie ik nu helemaal niets meer te maken wil hebben. Dus de vraag blijft: 

da capo al fine


Maar natuurlijk hebben de dingen geen intrinsieke waarde. De dingen hebben alleen waarde, en schoonheid, en betekenis in onze ogen. Let hierbij vooral ook op het woordje onze. De dingen hebben hoogstens een intersubjectieve waarde: ze zijn mooi, en waardevol, omdat ze dat niet alleen voor mij zijn, maar voor nog een heleboel andere mensen. Als ik dus respectvol om wil gaan (en om wil laten gaan) met de dingen die ik heb (zelfs nadat ik heb opgehouden te bestaan), dan is dat in de grond van de zaak omdat ik respectvol om wil gaan met mijn medemensen. Zoals ik, omgekeerd, van mijn medemensen respect verlang. Ook hier geldt Levinas: de categorische imperatief is het gelaat van de ander. Misschien is daarom portretkunst wel de hoogste vorm van cultuur.

zondag 16 september 2012

Toch valt het me mee. Toen ik van de week de ruimte binnenstapte waar mijn drie homunculi staan opgesteld, vond ik ze mooi. Ze hebben inderdaad iets heel fragiels, iets heel breekbaars, terwijl ze toch een krachtig verhaal neerzetten. Ik hoor zowel van bezoekers als van de andere exposanten positieve geluiden. "Is er iets platvloerser denkbaar dan een voetafdruk in de aarde... En dat jij daar dan zoiets spiritueels van weet te maken!" hoorde ik van Bouke Halma, maar niet alleen van hem. Een mevrouw: "Dat je zoiets gewoon máákt!" Tja mevrouw, ik sta er zelf ook wel eens versteld van... ;)

Ik ben gevraagd om, ter afsluiting van de expositie begin oktober een kleine lezing te houden over mijn werk, en over homunculus in het bijzonder. Dat is dan de tweede keer dat ik een actieve inhoudelijke bijdrage mag inbrengen op een bijeenkomst van ARTchipel (de eerste keer was de documentaire over Anselm Kiefer, begin dit jaar). Dat dwingt me om weer eens op papier te zetten wat er achter schuil gaat aan kijk op symbolen, maar ook neurowetenschap en zelfreflexie, herinneringen en emotionele beleving, duiding van de eigen persoon en eigen leven. Hier blijkt maar weer dat kunst maken voor mij een manier is om te proberen mijzelf in kaart te brengen- kunst als een manier waarop wij, mensen, onszelf en onze plaats in het geheel trachten te verstaan.

Het menselijk brein is zo 'n plek in het universum waar het universum zichzelf probeert te begrijpen, en daar probeer ik, in alle bescheidenheid, een klein steentje aan bij te dragen.

vrijdag 7 september 2012


De drie homunculi op de expositie ZomerKunstKantoor 2012, de hele maand september in Dokkum. Geen beste foto: tegenlicht, en dan die tuin achter dat spiegelende raam, maar het geeft een indruk. De meest rechtse homunculus staat al in galerie the idea of north, de andere twee nog niet. Ik betwijfel of ze daar ooit in komen te staan: ze bevallen me niet. En wat mij op het eerste gezicht niet onmiddellijk bevalt is niet goed genoeg. Dat ze toch op deze expositie staan is om te zien hoe er op gereageerd wordt. Tot nu toe is er nog niet of nauwelijks op gereageerd, en dat is een veeg teken. De meest rechtse, die met dat ei, valt ook bij het publiek goed in de smaak, en dat bevestigt mijn gedachte: die mag blijven. Omdat dat zo zielig is voor die andere twee worden ze hierbij nog even uitgelicht:



zondag 2 september 2012

En dan lukt het opeens! Met behulp van een zware soldeerbout (260 W), geleend van dorpsgenoot Klaas, en een tussenmaat gasbrander, vooral geschikt voor het bereiden van crême caramel (ja, nouja...) smelten mijn tenen en de bal van mijn voet zich door het lood. Uiteindelijk gevolg is, dat er eind deze week naar alle waarschijnlijkheid drie HOMUNCULI te zien zullen zijn in Dokkum. De expositie is gisteren geopend, in een uitstekende sfeer, en met meteen al 250 bezoekers.

woensdag 29 augustus 2012

Zo zag de werktafel in het atelier er vanmorgen uit. Hieraan kun je zien waarmee ik allemaal bezig ben, deze dagen, en dat allemaal tegelijkertijd. Het heeft te maken met kunst, met wat er komende weken te zien zal zijn (of nog niet te zien zal zijn...) op de expositie ZomerKunstKantoor in Dokkum, maar ook met zulke leuke zaken als de evaluatie van het dorpsfeest, en ook de eventuele aankoop van een huis en de keuring daarvan door een bouwkundig technicus. Op de een of andere wonderlijke manier lukt het me nog steeds om al die uiteenlopende aanstormende zaken het hoofd te bieden, maar hoe lang nog? Ik ga het niet allemaal uitleggen en beschrijven. Verzin zelf maar een Legenda bij deze chaos!


"Chaos schept beelden," hoorde ik (vrij vertaald) de Ierse kunstschilder Francis Bacon zeggen in een televisiefragment, gekozen door Adriaan van Dis, in de uitzending van Zomergasten van afgelopen zondag. Mét Van Dis ben ik van mening dat Bacon misschien wel de belangrijkste kunstenaar is van deze tijd, of van de twintigste eeuw. Als geen ander weet hij de verscheurdheid, de geweldadigheid, de duistere kant van de mens in beeld te brengen. Die beelden op zijn doeken: ze schrijnen. Ze komen rechtstreeks voort uit de chaos die deze wereld ten diepste is, uit de chaos van Bacons eigen leven, uit de chaos in zijn atelier. Zijn beelden laten niet af me bij de keel te grijpen, ze staren me grijnslachend aan, ze dwingen me te kijken in de spiegel van de doodsdrift. ('Fragment van een kruisiging', 1950. Collectie Stedelijk Van Abbemuseum, Eindhoven)

Oh ja, ook ik streefde altijd naar orde, schoonheid, troost, heelheid. Ooit wilde ik zelfs monnik worden - en in dat woord zit het allemaal: monos, één, heel. Maar ik heb inmiddels anders geleerd. (Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. 'Het leven heeft me veel geleerd', zegt de oue sok. Nescio, de laatste zinnen van die prachtige bundel van Nijgh & Van Ditmar, uit het zwarte jaar 1933, dieptepunt van die twintigste eeuw). Het leven heeft mij geleerd de chaos, de willekeur, de wreedheid onder ogen te zien - de zinloosheid, het Niets, ontzag te hebben voor de Leegte. Misschien dat die Leegte dan een ruimte wordt, en chaos beelden schept, maar dat is niet gegarandeerd. Moed is vereist, om de aanstormende chaos het hoofd te bieden. En dan heb ik het niet alleen over de chaos op mijn werktafel.

vrijdag 17 augustus 2012


Het atelier stinkt naar verf van de HEMA. Sokkeltjeschilderen. Hoort er ook bij.  Ten behoeve van de groepsexpositie van onze kunstenaarsgroep ARTchipel, de hele maand september in het pand aan de Vleesmarkt nr 13 in Dokkum, recht tegenover het oude Raadhuis aan de overkant van het water. Kijk maar op www.artchipel.nl . Ik zit er elke donderdagmiddag. HOMUNCULUS is er te zien. Als ik godverdomme het vuur eens in mijn voetstappen durf te zetten!

(En nu moet er een stukje volgen over mijn lidmaatschap van ARTchipel, over hoe dat zo gekomen is, en hoe zich dat verder ontwikkelt. Dat heeft te maken met mijn zelfbeeld, mijn zelfverstaan als kunstenaar, dus met al mijn onzekerheid, mijn minderwaardigheids-complex, de 'opmerkelijke' manier waarop ik soms reageer op mensen en situaties, even zo 'opmerkelijke' reacties van mensen op mij, enzovoort. Daar heb ik dus even tijd voor nodig. Want hoewel ik weet hoezeer dat constituief is voor wie ik ben in deze wereld, als kunstenaar en als medemens - ik blijf het moeilijk vinden om daar de juiste, uitgewogen woorden voor te vinden. Dat komt dus nog wel, vermoedelijk. Nu voorlopig alleen maar: sokkeltjeschilderen - want op zo'n sokkeltje staat de hele boel te kijk.)


woensdag 8 augustus 2012

De komende week wordt basiskamp Amsterdam ontruimd. Er is nog geen nieuw basiskamp, behalve het huidige. Dit is een periode van opnieuw positie bepalen, koerslijnen uitzetten, met de blik op het noorden, op de Leegte. Onzekerheid ook, onvastheid. Maar ook: bevrijding.

Daar naast staat dat ik volgende maand weer eens exposeer: samen met de anderen van kunstenaarsgroep ARTchipel de hele maand september in Dokkum. KunstKantoor 2012 noemen we het gebeuren. HOMUNCULUS zal er te zien zijn, als ik tenminste op tijd klaar ben met de huidige werkzaamheden. 

En dan zal ik eindelijk die mist van traditionalistisch symbolisme, die me de afgelopen anderhalf tot twee jaar uit koers heeft gehaald als gevolg van de samenwerking met iemand anders, achter me kunnen laten. Het kroop in mijn systeem en het vervreemde me van mezelf, die veel te voor de hand liggende overgeësthetiseerde plaatjessymboliek.  Het benauwde me, dus moest het er uit. 
Die functie heeft HOMUNCULUS gehad: een bevrijding van ideologie, een terugkeer naar de concrete werkelijkheid, het verhaal van de eigen, zelfbevochte ervaring. Die persoonlijke ervaring gaat niemand wat aan - dat is het putje waaruit ik schep, niets meer (maar ook niets minder). Die persoonlijke ervaring moet in mijn werk dan ook niet aan te wijzen zijn, al moet ze er wel de basis van zijn.
Terug ook naar de realiteit van de concrete materie, die niet gedwongen zou mogen worden 'symbool' te zijn 'van iets'. Dat 'symbool'-zijn 'van iets' door de materie, en die anekdotische verwijzing naar persoonlijke ervaring, heb ik moeten botvieren, moeten uitleven op de materie, om daar van af te komen. Dat werd HOMUNCULUS.

Als materie bevrijd wordt uit om het even welke context en haar eigen verhaal mag vertellen, ontstaat er meer ruimte voor onze verbeelding, hoe paradoxaal dat ook klinkt. Ook hier geldt: als de menselijke geest zich laat ontregelen, verhinderd wordt gebaande (in dit geval: traditionele) paden te betreden, dan komt de creativiteit los. Dan gaat onze eigen menselijke geest veel welsprekender haar verhaal vertellen. 
En als dat verhaal common experience vertelt, algemene ervaring van de paradoxaliteit van het menszijn, dan wordt dat verhaal vanzelf symbolisch. Maar dan op een dieper, bevrijdender, humaner niveau. Dwing de materie niet 'iets voor te stellen'. Laat de materie zichzelf zijn- dat is, met andere woorden: wees jij jezelf! Bevrijding van de materie is bevrijding van de geest. Spiritualiteit is concreet!

De mist trekt op, ik kom terug op koers.

donderdag 2 augustus 2012

Pas gisteravond, op het terras van De Waegh in Dokkum, hoorde ik: Rein Bril is onlangs overleden. Eén keer heb ik hem ontmoet, twee jaar geleden, bij de opening van de expositie KunstKantoor 2010. Er was een klik, zoals ik die maar zelden bij mensen heb gevoeld. Een warme, sterke handdruk- veelzeggend, meer nog dan de gedachtewisseling die er aan voorafging, en daar de bevestiging van. Een handdruk die ik nooit meer zal vergeten. Ik heb in Rein Bril een Mensch ontmoet.


Ik hoopte dat zijn website, met zijn beelden en gedachten, ten eeuwigen dage op het internet zou blijven staan - maar nee, die is al niet meer te vinden. Alsof dat alles nooit bestaan heeft. Maar wellicht is dat helemaal in lijn met Rein... 
De volgende tekst vond ik nog wel, op de site van de Stichting Keunstkrite Twizel:


In Memoriam: Rein Bril (1945-2012)

Vanavond trof ons het droeve bericht dat onze kunstvriend Rein Bril, slechts een paar dagen na zijn 67-ste verjaardagsfeest, plotseling is overleden. Wij zullen hem zeer  missen.
Rein is van het begin af aan betrokken geweest bij de Keunstkrite. Hij was een van de inspirators en bestuurslid van de oprichting in 2009 tot begin 2011. Reins beeld  “de Vader” Warrior vormt de basis voor het logo van onze stichting en belichaamt daarin (voor ons) de strijd voor en met de Kunst.
Rein laat een hoop fijne herinneringen achter waarbij “vrijheid”,”ruimte” en het kunnen “spelen” een steeds terugkerend thema was.  Een dichter, een filosoof, een hartelijk mens en een ware vriend.  Vertrokken naar de Eeuwige Jachtvelden of zoals hij dat zonder twijfel zelf glimlachend gezegd zou hebben: de Eeuwige Speelvelden.
Mogen de Engelen, van wie je veel hield je op je verdere pad begeleiden. Wij zullen je niet vergeten.
Onze gedachten gaan uit naar Reins zoon Bram op wie hij zeer trots was, zijn Ineke, zijn “oude” zuster en alle anderen die hem lief waren. Wij wensen jullie sterkte met dit grote verlies.


Twijzel, 5 juli 2012


Hetty Kloosterman Combs
uit naam van het bestuur van de Stichting Keunstkrite Twizel




En, ik kan het niet laten, hier een paar beelden, om nooit te vergeten:


de vader / warrior. 2005
balans-beelden. 2004


de golf
zwaluw



vrijdag 27 juli 2012

Het is loeiheet, in en om het atelier. Na de eerste zomerse week van dit jaar bouwt zich spanning op. Het broeit. Loodgrijs is de lucht, het wachten is op ontlading.



Weer dat lood. En weer die hitte... Stagnatie? Gevolgd door transgressie? Transmutatie, transformatie? Gewoon: transpiratie!

(Dit gaat niet alleen over het weer. Het gaat ook over de kunst. En over de langverhoopte verplaatsing van het basiskamp.)

dinsdag 17 juli 2012



- en van alles wat ik zie
weet ik dat het anders had kunnen zijn
maar dat is het niet


Rutger Kopland (1934-2012)
uit: Een man in de tuin, Stroomdal I




Niets van alles in dit universum heeft per se zó moeten zijn zoals het is. Het had allemaal net zo goed helemaal anders kunnen zijn. Het had er net zo goed helemaal niet kunnen zijn. Wat maakt het dus uit dat het is zoals het is? Wat maakt het uit dat ik er ben? Ik had er net zo goed niet kunnen zijn. Het heeft allemaal niets te betekenen. Dat relativeert de hele boel.


Maar het drukt mij ook met mijn neus op mijn verantwoordelijkheid. Want, nogmaals: niets van dit alles heeft per se zó moeten zijn zoals het is; het had net zo goed helemaal anders, zelfs helemaal niet kunnen zijn. Maar het is er wel. Ik ben er wel! En alles is zoals het is, en daar kan ik niet omheen...


Laat ik dus maar zien dat ik er iets moois van maak. Dat betekent het
dat geeft het zin en betekenis.


Maar Kopland kon dat veel preciezer zeggen.

maandag 9 juli 2012

Gaat u zitten! Twee Rietveldstoelen, de ene in blank beukenhout, de andere met de primaire kleuren. Gemaakt door dorpsgenoot Pieter Visser, geheel volgens de originele specificaties. Geen fabrieksmatige massaproducten, maar handwerk, dus allebei unica.


Meubelmaker en architect Gerrit Rietveld ontwierp deze stoel in de jaren tussen 1918 en 1923, hoewel sommige kunsthistorici het jaar 1917 noemen. Er bestaan verschillende versies - deze, tot op het bot gedeconstrueerde armstoel, is een opvolger van een stoel met zijpanelen. Er zijn Rietveldstoelen in verschillende kleuren: een onbeschilderde uit 1921, een witgebeitste voor de avant-gardedichteres Til Brugman uit 1923, een roze, een zeegroene gemaakt voor Charley Toorop, en een zwarte met witte kopse kanten, besteld door de kunstenaar Paul Citroen. De primaire kleuren rood, geel en blauw werden voor het eerst toegepast rond 1923, geheel in de stijl van De Stijl: de kunstbeweging die we kennen van bijvoorbeeld Piet Mondriaan. Het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht en café De Unie in Rotterdam zijn twee andere schoolvoorbeelden.

Het Centraal Museum in Utrecht bezit een (ongedateerde) werktekening van de hand van Gerrit Rietveld, waarop de definitieve afmetingen en kleuren van de stoel zijn vastgelegd. Volgens die specificaties heeft Pieter Visser deze twee stoelen gemaakt. 


Of ze lekker zitten? Als Rietveld die vraag gesteld kreeg antwoordde hij: "Zitten is een werkwoord!" Het was de bedoeling dat de stoel een eenvoudig, fabrieksmatig te vervaardigen massaproduct zou worden. Zover is het nooit gekomen, omdat geen enkele fabrikant of meubelverkoper geloofde dat de stoel, behalve mooi, ook comfortabel kon zijn. Toch schijnt dat mee te vallen - ook dorpsgenoot Pieter verzekert me er van dat ze goed zitten. En dat verbaast me niet.

Wat zich voordoet als simplistische abstractie, kille wiskundige constructie, schijnbaar fantasieloze eenvoud, is in feite gebaseerd op onomstotelijke gegevenheden van het menselijk lichaam, van ons fysieke zelfverstaan, abstractie tot op het bot van de materie, niet 'vergeestelijkt' maar tot op de grond toe gedeconstrueerd en gebaseerd op eenvoud. 
De Stijl is daarin zeer consequent en heel zuiver geweest. En juist daardoor verbindt deze vormgeving zich naadloos met al die andere aspecten van het bestaan: de lichamelijke én de geestelijke, de objectieve én de subjectieve, het abstracte én het individuele, het apollinische én het dionysische, blablabla, blaaablabla, blabla!

En dus schijnt zo'n stoel ook gewoon lekker te zitten. Misschien koop ik er zelf wel een.

zondag 1 juli 2012

Niet alleen je werkplek is je atelier - je state of mind, je way of being zijn het nog veel meer!

vrijdag 15 juni 2012

Het ziet er naar uit dat het basiskamp verplaatst zal gaan worden. 
De bakens worden verzet. De coördinaten verschuiven. Er is een omslag op komst.



Vuurtorens, bakens, zeekaarten: alles wat te maken heeft 
met positiebepaling en koers uitzetten - na de dood van mijn lief
in 1994, werd de Atlantische kustlijn van Portugal, 
ter hoogte van Lissabon aan de monding van de Taag, 
bij Cabo Espichel, Cabo Raso en Cabo da Roca 
(het westelijkste puntje van het Europese continent) 
voor mij een metafoor voor de grenslijn 
tussen dood en leven, verleden en toekomst. 
Het was héden: tijd voor een hernieuwde positiebepaling, 
om een andere koers uit te kunnen zetten.


Mijn tijd als justitiepastor liep ten einde. De bajes 
(van het Hebreeuwse beth=huis) is voor mij 
een beth ha’midrash, een leerhuis geweest. 
Ik heb er mensen leren kennen 
aan wie elke verantwoordelijkheid werd ontnomen, 
of die met een schuld belast waren 
die te zwaar was om te dragen – 
en die ofwel daaraan kapotgingen, ofwel 
ondanks alles hun menselijke waardigheid behielden. 
Ik heb er geleerd hoe hoog de liefde reikt, 
hoe diep haar afgrond is – 
en hoezeer wij mensen daarvoor terugdeinzen. 
Verhalen – ook in de theologie, de bestudering 
van de levensbeschouwelijke traditie waarin ik sta – 
die verwijzen naar, of cirkelen rondom Iets 
dat wel benoemd wordt, 
maar zich onmiddellijk ook weer aan benoeming onttrekt.


Het was niet eens zozeer de dood van Luís 
als wel de reflectie op onze relatie 
en de plaats daarvan in mijn leven 
die me weer deden beseffen: ook ik 
maak altijd weer omtrekkende bewegingen 
rondom iets dat zich niet laat vatten – 
een innerlijke horizon. Noem het god, of liefde, 
of dood, of de leegte. En het verlangen daarnaar.


En toen ik in 2004, staande op de Waddenzeedijk bij Nes,
tussen Wierum en Peazens-Moddergat, 
over de horizon probeerde te kijken 
en de eilanden als voetstappen over de einder zag gaan, 
ontdekte ik dat de vuurtorens van Ameland en Schiermonnikoog 
precies dezelfde lichtcodes hadden 
als de vuurtorens van Cabo Raso en Cabo da Roca. 
En ik wist dat ik in die leegte maar eens moest gaan wonen.


Pas nu het donker wordt kan ik de tekens lezen
waarvan ik al bij daglicht wist dat ze er zijn.
Is 't jouw handschrift, tegen de horizon geschreven?
Bedankt, de boodschap is begrepen: ik zal er zijn!

vrijdag 8 juni 2012

Wij zien niet de werkelijkheid. Wij zien het beeld dat ons brein maakt van de werkelijkheid. En daarbij kan ons brein zich op de prachtigste manieren vergissen. Dat is niet erg, als je je maar bewust blijft van het gegeven dat het niet de werkelijkheid is die je ziet. Maar blijf vooral genieten van de beelden die ons brein van de werkelijkheid kan maken!


Sam Drukker over de tekeningen die hij maakte bij een binnenkort te verschijnen uitgave van het verhaal 'East Bergholt' van Marcel Möring:
     "Het landschap is wonderschoon. En winter-kaal. Alleen de struiken hebben groen. Op mijn gehuurde fietsje loer ik het glooiende landschap af. Het verhaal zit continu in mijn hoofd. Ik ken alle scènes en probeer heel dicht bij de tekst te blijven. Die neiging tot de realiteit heb ik altijd. Ik kan nu eenmaal niets bedenken dat interessanter is dan wat ik zie."


Wat de kunstenaar ziet ("loeren", "wat ik zie"), de inbreng van het brein ("het verhaal", "dicht bij de tekst") en weer terug: "Ik kan nu eenmaal niets bedenken dat interessanter is dan wat ik zie." Meer is het niet... En wat Sam Drukkers brein en hand dan maken van de werkelijkheid van een boom, is winter-kaal en (waarschijnlijk daardoor) wonderschoon:






tekst van Sam Drukker en foto van Edo Kuipers in BK-INFORMATIE 2012-4

donderdag 31 mei 2012

Nog even over de afbeeldingen die ik bij het vorige bericht plaatste. Het lijken impressies van een landschap, maar het zijn foto's van een plaat lood. Je ziet vegen kleur als van water en wolken, reflecties, verte, een horizon. Maar het is gewoon een plaat lood, plat, van dichtbij gefotografeerd. Wat een horizon lijkt is gewoon een vouw in de plaat. Je ziet butsen, vette vingers, krassen.


Als ik die plaat lood had gefotografeerd in de omgeving van het atelier zou je het onmiddellijk als een plaat lood herkend hebben. Maar nu ik die omgeving, die context weggelaten heb, zie je niet onmiddellijk wat het is. Je observatie wordt niet beïnvloed, je interpretatie wordt als het ware even opgeschort. Daardoor krijgt het lood de gelegenheid een heel eigen verhaal te gaan vertellen, en wordt het in de ruimte van je verbeelding een landschap. Dit zou zélf een kunstwerk kunnen zijn!


Zou een mooie formule kunnen zijn voor het maken van kunst: haal het materiaal uit zijn gewone context en laat het zijn eigen verhaal vertellen. De rest is fantasie.

vrijdag 18 mei 2012

Ik werk momenteel met lood en met vuur. De bedoeling is, dat ik met een loeihete gasvlam mijn voetstappen in het lood smelt. Maar dat durf ik niet. Er komen looddampen vrij die mijn al zieke longen verder aantasten, looddampen die ontbranden in de gasvlam en mijn huid kunnen schroeien. Ook al kan ik me daartegen goed beschermen, ik kom er niet toe dat vuur in het lood, in mijn voetzolen te zetten - ik zit vast, al geruime tijd.


Loodzwaar zijn de celdeuren waarachter mensen, verhalen,vastzitten. Eén keer zat ik zelf vast achter zo'n celdeur. Ik was in gesprek met K., toen er onaangekondigd een 'veegactie' begon. Een PIW-er gaf me de gelegenheid de cel te verlaten voordat de deur op slot ging, maar ik verkoos om, met K.'s welnemen, te blijven. Binnen tien seconden had ik daar spijt van en voelde ik lijfelijk: ik zit vast! Het duurde niet lang, maar het was zwaar: het kwam me té dicht op de huid.



En dit:

Zwaar staan mijn voeten in het natte zand.
Zwaar is de last die ik op me heb genomen.
Ik draag je naar de zee,
ik draag je naar je graf.
O lief wat ben je zwaar,
wat is dit zwaar


maandag 14 mei 2012

"Er zijn geen archetypen, er is het lichaam," zegt Lia in De Slinger van Foucault (pagina 370-371; lees het hele hoofdstuk).

Er is niks mis met fantasie, maar fantasie moet gecorrigeerd worden door observatie, door verstandelijk begrijpen, volgens Arnon Grunberg in de documentaire Heb je nog vrienden? 


(Het idee dat een kunstenaar zijn fantasie, of creativiteit, "aanzet" als hij aan het werk gaat 
en na afloop weer "uit", doet Grunberg schateren van het lachen!)

zondag 6 mei 2012


“Trek je stop eruit!” → Piëmontees-Italiaanse uitdrukking met als betekenis “Stel je niet zo aan, blaas je niet zo op!” Gebezigd door Belbo, een van de hoofdpersonen uit de roman De Slinger van Foucault uit 1988 van Umberto Eco. En omdat de naam van het HOMUNCULUS-project, waar ik momenteel aan werk, verwijst naar onder andere hoofdstuk 59 uit dat boek, wil ik hier vastleggen wat mijn antwoord is op de vraag “Hoe leest gij?” met betrekking tot deze roman.


De drie hoofdpersonen van De Slinger van Foucault – genoemde Belbo, Diotallevi en Casaubon, de ik-figuur - werken voor de heer Garamond, een ijdeltuiterige uitgever, aan een serie boeken over de geschiedenis van de esoterische, occulte wetenschappen. Veel met de waarheid hoeft dat niet uit te staan, als het maar goed verkoopt: weinig tekst, veel afbeeldingen, en wel “op een gouden fond” zoals meneer Garamond dat noemt. Dat brengt het drietal in contact met de wereld van de ‘diabolici’, zoals zij ze gaan noemen: diepgelovige adepten en sluwe charlatans – en met de geschiedenis van de "Traditie": de tempeliers, de vrijmetselaars, katharen en albigenzen, gnostici, Illuminati, kabbalisten, heksen, theosofen en andere geheime- genootschappers, die elkaar in de loop van de tijd niet zozeer bijstonden als wel naar het leven stonden. Ze roepen per advertentie in tijdschriften ‘deskundigen’ op hun bijdrage aan de boekenserie ter beoordeling voor publicatie in te sturen. En ze vragen, bij de beoordeling, hulp en advies van doctor Agliè, een schatrijke, aristocratische verzamelaar die over het onderwerp een gedegen kennis heeft opgebouwd die hij, schatrijk als hij is, gratis ter beschikking wil stellen – voor hem is het een spel (al blijft het dat niet).


Maar de linker hersenhelft kan het niet laten. Al gauw komen de drie er achter hoe het werkt binnen de "Traditie": niets is wat het lijkt, alles verwijst naar iets anders, en alles heeft met alles te maken. En op basis van dat denkpatroon beginnen ze zelf een Plan te ontwerpen – een herschrijving van de geschiedenis als een verborgen zoektocht naar een Geheim – het Geheim van de Tempeliers dat de sleutel is tot ongebreidelde macht. Het begint in een dolle bui, als een gedachte-experiment.  Maar het ontwikkelt zich tot een obsessie, die de drie niet meer loslaat. Lia, de zwangere vriendin van Casaubon, waarschuwt: “Met leuk heeft het niets meer te maken, je bent gegrepen." En ze stelt: "…er zijn geen archetypen; er is het lichaam.” (pag. 370-371). 


Maar het is al te laat. De grenzen tussen fantasie en werkelijkheid vervagen. Ook de nuchtere, afstandelijke Agliè wordt door Belbo verleid te geloven dat er een Plan bestaat, en dat Belbo over de sleutel daartoe beschikt – zo wil Belbo Agliè overtreffen, en op diens eigen terrein verslaan. Maar daarmee roept hij een dramatische ‘apotheose’ over zichzelf af. In het Musée des Arts et des Métiers in Parijs (waar de originele slinger van Foucault te zien is) vindt, in de traditionele Nacht van Sint Jan (23-24 juni), een groteske, hallucinatorische concelebratie plaats van alle diabolici die, onder leiding van Agliè, het Geheim aan Belbo proberen te ontfutselen. Op het hoogtepunt, of dieptepunt, van de vertoning kronkelt de slinger van Foucault zich om de nek van Belbo, en hij wordt verhangen – een ‘mensenoffer’ dat niets oplevert: de diabolici blijven met lege handen achter.
Diotallevi is dan al overleden aan kanker (“de cellen zijn zich gaan permuteren” - ook hij is slachtoffer van zijn eigen geloof in het spel). En Casaubon vlucht terug naar het huis in Piemonte waar Belbo is opgegroeid. Daar kan hij, de laatste van de drie die weet hebben van ‘het geheim van het Geheim’ (namelijk dat er geen geheim is), alleen nog maar wachten op zijn belagers, de diabolici, en in de stilte van de nacht uitkijken naar de heuvel aan de andere kant van het dal: “Hij is zo mooi.”


De Slinger van Foucault gaat niet over de "Traditie", niet over tempeliers, vrijmetselaars, katharen en albigenzen, gnostici, Illuminati, kabbalisten, heksen en theosofen, niet over occulte en esoterische wijsheid die op het eind van het boek tóch het laatste woord heeft (daarover gaan de populaire schrijfsels van Dan Brown en Paulo Coelho en de clipjes van de zo genaamde Madonna). De diabolici hebben Belbo wel kunnen doden, maar ze konden hem niet verslaan - het boek gaat dan ook niet over hen. De Slinger van Foucault gaat over een méns, in al zijn grootsheid en al zijn tragiek, en dat maakt De Slinger van Foucault tot een volwassen psychologische roman, tot een goed boek, wat de populaire schrijfsels van Dan Brown en Paulo Coelho overduidelijk niet zijn. En, heel belangrijk, wat mij betreft: De Slinger van Foucault bevat humor, heel veel humor zelfs – wat niet geldt voor De Naam van de Roos, terwijl dat boek nota bene over de humor gáát: de humor die ontregelt, relativeert, op losse schroeven zet, en daarom gehaat en verstopt en vernietigt wordt door de hogepriesters van de ‘Eeuwige Waarheid’,  het Grote Gelijk. Om onder andere deze reden vind ik De Slinger van Foucault dan ook Eco’s beste roman, beter dan zijn eersteling De Naam van de Roos.


De Slinger van Foucault gaat, als alle echte kunst en literatuur, over de mens, over de onoplosbaarheid van 'la condition humaine'. Het boek geeft geen antwoorden, geen oplossing, geen uitweg - dat doen de populaire schrijfsels van Dan Brown en Paulo Coelho, of die pretenderen dat te doen. De Slinger van Foucault vertelt ons, nog steeds niet ten overvloede, dat de menselijke zoektocht naar zin, betekenis, een plan, een oorsprong en een doel, een geheim achter de dingen, de betekenis van de symbolen, ritualen en hiërarchiën - berust op menselijke fantasie, en dat dit alles maar al te vaak uitloopt op groteske waanzin en bloedvergieten. De Slinger van Foucault gaat over macht: de werkelijke drijfveer achter de geschiedenis van het mensdom. De Slinger van Foucault leert ons nederige nuchterheid: “Er zijn geen archetypen, er is het lichaam.” En De Slinger van Foucault leert ons relativering en berusting - en genieten, want de wereld is betekenisloos maar: “Hij is zo mooi.”


In dat huis waar Belbo opgroeide leest Casaubon die laatste nacht Belbo’s nagelaten geschriften, vanuit de boekenkast op diens slaapkamer en vanaf stapels diskettes in Belbo’s computer Abulafia (genoemd naar een beroemde middeleeuwse kabbalist). En uit die lezing rijst in de loop van het boek het volledige portret op van een mens die (op één enkel ogenblik na, dat doorslaggevend blijkt te zijn) nooit tot volledige vervulling is gekomen, die altijd is blijven verlangen naar de onbereikbare geliefde – Lorenza Pellegrini, die niet in hem, maar wel in Agliè geïnteresseerd was – die streefde naar kennis, wijsheid, inzicht, maar daarin telkens weer een ander (Agliè, onder andere, behalve op het laatst) als zijn meerdere moest erkennen, een mens die nooit volledig heeft kunnen samenvallen met zichzelf en het universum waar hij deel van uitmaakt – op één enkel, doorslaggevend moment na. In zijn jeugd, op het eind van de Tweede Wereldoorlog, stelt Belbo een unieke daad van zelfverwerkelijking, bescheiden, maar van grote betekenis: de rest van zijn leven, hoe onvervuld en armzalig ook, draait uiteindelijk om dit ene doorslaggevende moment. In een tijdloos ogenblik op de drempel van de eeuwigheid, spant hij een gouden draad naar de zon: Belbo’s eigen Slinger van Foucault, opgehangen aan een vast punt in het universum. Al lezend realiseert Casaubon zich dat door dit moment, en alleen hierdoor, Belbo in zijn laatste ogenblikken, met de dood voor ogen, kalm en volledig in balans met zichzelf tegen Agliè en alle aanhangers en adepten van esoterie en hermetica kon zeggen: “Trek je stop eruit!”

zaterdag 5 mei 2012

Ik heb in mijn leven een paar momenten gehad van inzicht: momenten waarop er geen tegenstelling, geen dichotomie, geen dualiteit bestond - zelfs niet tussen dood en leven. Momenten waarop denken en voelen samenvallen, momenten waarop de wereld eeuwenoud is en jong, fris en nieuw. Momenten van wat ik noem: het eerste licht. Momenten waarop je ziet dat alles is zoals het is, en dat het goed is.

Over die momenten gaat het HOMUNCULUS-project.

En dwars daar tegenin: een verschroeiende woede laait in me op als ik bijvoorbeeld denk aan de kinderen die (vul zelf maar in - het is 4/5 mei).
Ook dáár moet het over gaan. Ik bedoel: over de schamperlachwekkende, tenhemelschreiende zinloosheid van alles.

zondag 29 april 2012

Ik heb er een tijd lang tegenaan zitten kijken, en ik moet zeggen: hij bevalt me wel! 
Dus heb ik HOMUNCULUS 2447398.760417 in de galerie gezet. Binnenkort meer.

maandag 23 april 2012

Verreweg het meest gebruikte woord in profielen, die mensen van zichzelf op Facebook, LinkedIn, Twitter en andere nieuwe social media zetten, is creatief, zo verneem ik.


Ik verklaar bij dezen nadrukkelijk dat ik niet 'creatief' ben!


En ik wil ook nadrukkelijk niet aangezien worden voor 'spiritueel'!

vrijdag 20 april 2012

...tragisch besef van de uiteindelijke onvervulbaarheid van het verlangen naar eenheid. De romantiek loopt daarmee vooruit op de postmoderne twijfel en ironie...


Als iets geen stemmen trekt, in deze tijd, dan is het wel twijfel en ironie! (Is er überhaupt nog iemand die dat herkent: ironie?)


Alleen al hierom is de kunst in deze tijd een sitting duck, en viert de nepkunst hoogtij.


"Veel succes!" - dát is, in dit verband, ironie.

woensdag 18 april 2012

'Mensen worden gekenmerkt door een onverzadigbaar verlangen de zin van hun bestaan te doorgronden en hun leven tot een harmonieus geheel te maken. Na het verlies van de evidenties van het geloof heeft dit verlangen in de moderne tijd andere beddingen gezocht. Volgens de romantische kunstenaars en filosofen biedt slechts een esthetisering van het leven uitzicht op een harmonieus bestaan. Daarbij gaat dit romantische enthousiasme gepaard met een tragisch besef van de uiteindelijke onvervulbaarheid van het verlangen naar eenheid. De romantiek loopt daarmee vooruit op de postmoderne twijfel en ironie met betrekking tot de 'maakbaarheid' van harmonie.'


Uit de synopsis van HET ROMANTISCHE VERLANGEN in (post)moderne kunst en filosofie van Jos de Mul. Hier herken ik mijzelf in. De cursivering is van mij.


(De sculptuur 'Het grote gedicht' van Sigurdur Gudmundsson, waar ik het in het vorige bericht over had, was te zien op de expositie '60-'80, in 1982 in het Stedelijk Museum van Amsterdam.)

vrijdag 13 april 2012

Serendipiteit. Zomaar ineens komt er van alles bij elkaar, van toen en nu, van hier en daar.

Melancholie als een vorm van metafysica bedacht ik ooit als algemene ondertitel bij alles wat ik maak. Door zelfstudie streef ik naar verdieping en verrijking van die thematiek. En zo was ik op zoek, op het internet, naar een boek over de spirituele dimensie in het werk van kunstenaars als Anselm Kiefer toen ik op een ander boek stuitte dat mij, door titel en beschrijving, nog veel meer aansprak: HET ROMANTISCHE VERLANGEN in (post)moderne kunst en filosofie, door Jos de Mul, hoogleraar filosofie van mens en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Vanmiddag werd het bezorgd.

Ik blader het in, bestudeer de inhoudsopgave, de registers en de uitgebreide literatuurlijst, en zie voorin in het boek dat het oorspronkelijk is uitgegeven in 1990 door de Faculteit Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit, als deel XI in de serie Rotterdamse Filosofische Studies. De onderhavige, vierde druk, herzien en vermeerderd in 2007, is uitgegeven door Uitgeverij Klement, in Kampen. En ik lees: Afbeelding op de omslag: Sigurdur Gudmundsson: Het grote gedicht. 
Die naam doet vaag een belletje rinkelen...
Ik sluit het boek en bekijk de omslag. En pas nu, nu ik goed kijk, zie ik het: een zwanenhals die uit een driehoekige vorm tevoorschijn komt. En onmiddellijk weet ik dat dit een kunstwerk is dat ik eerder heb gezien!

Het moet begin jaren '80 geweest zijn. Ik bezoek, samen met mijn vriend Eric-Jan, het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik weet niet meer welke tentoonstelling dat was, en of er een titel, een thema aan verbonden was. Ik weet nog wel dat we in één van de laatste zalen geconfronteerd werden met dit beeld: zwanen die met uitgestrekte nek en krachtige vleugelslag proberen los te komen uit een betonnen piramide. Het ijzersterke beeld raakte ons onmiddellijk. We zijn op een bank tegen de muur gaan zitten om wat we zagen te verwerken, op ons in te laten werken. Eric-Jan, naast mij, werd volledig overmand door emotie.

Als ik google op titel en naam van de kunstenaar ontdek ik dat het er drie geweest moeten zijn: drie zwanen uit 
drie piramides. In mijn herinnering 
was het maar één zwaan, hoogstens twee. En maar één piramide. 



Natuurlijk zagen wij (en zie ik, in retrospectief) in dat beeld onszelf, jonge adolescenten, met alles wat daarbij hoort. Dat ga ik verder niet uitleggen. Dit waren wij.

Of we sindsdien veel zijn opgeschoten? Eric-Jan ben ik uit het oog verloren, en wat mijzelf betreft, ach... Er is nog een herinnering, van nog langer geleden, en ietwat gênant: een schaterlachende schoolpsychologe aan de HBS die mij, in een persoonlijk gesprek, vraagt welk dier ik zou willen zijn - en ik, ontluikende puber, die antwoord: 'Een zwaan...' Sorry, ik kan er ook niks aan doen.

En dat Eric-Jan, toen we elkaar leerden kennen, in Kampen woonde waar dit boek is uitgegeven, en nu waarschijnlijk woont in Rotterdam waar dit boek is geschreven - dat is uiteraard een krankzinnig toeval.