Ooit, jaren geleden, heeft iemand mijn werk vergeleken met dat van Mark Rothko. Het zal wel een flauwe grap geweest zijn. Ik wist destijds vrijwel niets van Rothko (ik kende alleen zijn naam), dus ik voelde mij zeer gevleid. Inmiddels ben ik wijzer.
Eergisteren bezocht ik de overzichtstentoonstelling van Rothko's werk, uit de collectie van de National Gallery of Art, Washington, in het Haagse Gemeentemuseum. Het was er druk. Blijkbaar is mijn generatie aan het abstract impressionisme voorbij, want ik zag er veel leeftijdgenoten. Of misschien sluit Rothko's werk aan bij een nieuwe behoefte aan spiritualiteit, wie zal het zeggen? In elk geval kostte het me heel wat tijd om door het geroezemoes en gewemel de schilderijen van Rothko te ontmoeten, en op me in te laten werken.
Gaandeweg werd het stiller in mij, en werd ik niet meer gehinderd door iedereen om mij heen. Voor dit enorme doek heb ik wel een half uur heel stilletjes zitten kijken en nadenken. Op een gegeven moment ging een dame vlak voor mijn snufferd staan. Ik moet een reactie afgescheiden hebben, want ze draaide zich om: "Sorry!" Ik kon het niet laten: "Geef niets hoor mevrouw! Ik kijk dwars door U heen!" (Wout... Schaam je...)
Naast de grote zalen zijn er kleinere nissen, en daarin hangen werken zoals Rothko wilde dat ze geëxposeerd werden: één tegelijk, zonder verdere poespas, een ontmoeting van één-op-één tussen werk en toeschouwer. Het moest een persoonlijke ontmoeting zijn, de toeschouwer moest zich als het ware omarmd weten door het schilderij. En zo onderging ik het ook.
Er wordt gezegd dat je, als je voor zo'n schilderij van Rothko gaat staan, je de ervaring kunt krijgen dat je er als het ware door naar binnen gezogen wordt. Ik heb daar geen last van gehad (al meen ik wel vanuit een ooghoek nog net een paar damespumps in een schilderij te hebben zien verdwijnen...)
Een associatie: het verhaal over een monnik die, in het klooster, buitengewoon veel tijd doorbracht in stille meditatie. Op de vraag van de abt (jaloers misschien?) wat hij toch al die tijd deed, antwoordde de man: "Ik kijk naar hem. Hij kijkt naar mij."
Meer niet: "Ik kijk naar hem. Hij kijkt naar mij." Niet: "We kijken naar elkaar", zelfs niet: "Ik kijk hem aan, hij kijkt mij aan." Nee: ik kijk naar hem - hij kijkt naar mij. Zo heb ik geleerd te kijken naar het werk van Mark Rothko.
Te spiritueel ingevuld, en daarmee geen recht doend aan Rothko's werk? Misschien. Hijzelf zei (vrij vertaald): "Mensen mogen een religieuze ervaring hebben bij mijn werk. Mensen mogen een profane ervaring krijgen bij mijn werk. Mij maakt het niets uit, ik kies geen partij."
Toch is die associatie met die monnik niet al te ver gezocht. Ik kwam er op de tentoonstelling achter dat een bezoek aan het San Marco-klooster in Florence voor Mark Rothko een doorbraak betekende: voortaan wilde hij dat zijn werk, net als de fresco's van Fra Angelico op de kopse wand van de monnikscellen daar, zouden dienen tot meditatie en contemplatie: een persoonlijke, individuele ontmoeting van de beschouwer met het sublieme, het absolute.
Rothko was er van overtuigd dat hij zich bewoog op de grens van de kenbare werkelijkheid, ja op de uiterste grens van de schilderkunst: hij kón niet accepteren dat er na hem andere generaties zouden komen, met andere ideeën, andere beeldtaal, andere kunst... Het is dit volstrekte absolutisme, deze monomanie, deze volledige focus op één punt die zelfs de tijd verstilt tot eeuwigheid, die deze monumentale schilderijen mogelijk hebben gemaakt (en zonder dewelke ze niet (na) te maken zijn)!
Nog een associatie: nu met een versregel van Huub Oosterhuis, over het gebed: "Wij gooien woorden in een diep ravijn: zeilende stenen, zonder u te raken." Dat beeld, dat herken ik in Rothko, dat zie ik in het agnosticisme, waartoe ik mijzelf beken. Weten dat we het niet kúnnen weten, maar toch het niet kunnen laten woorden te gooien, zeilende stenen, streken verf, kleur, beeld, klank... in dat diepe ravijn van het Niets.
Ja. Als je me vraagt: waar gaat het werk van Rotho over? dan zeg ik: het gaat over niets, en dat betekent niet: het gaat nergens over!
vrijdag 7 november 2014
zondag 2 november 2014
Colin Thubron NAAR EEN BERG IN TIBET 2010
(p.74-75) In de donkere vallei van Dakshinkali, ten zuiden van Kathmandu, staat het heiligdom van de hindoegodin [Kali] op het punt waar twee rivieren samenkomen. Elke zaterdag komen er honderden pelgrims door de beboste kloof naartoe om haar eten te brengen. Het zijn vooral vrouwen, gekleed in felgekleurde sari’s, die halve kokosnoten, goudsbloemen en haantjes met bij elkaar gebonden poten bij zich hebben. Vaak voeren ze nietsvermoedende geiten mee, of zelfs buffels. Uit het dal klinkt het geluid van festiviteiten op: gilletjes en gelach, flarden en gezang, het rinkelen van bellen. Heilige mannen zetten tika’s van rijst en vermiljoen bij de pelgrims op het voorhoofd; kookvuurtjes flakkeren op de terrassen. Als ik naar beneden loop, worden de pelgrims langzaam maar zeker een lawaaierige rij en onder in het dal zie ik iets van een open tempel met overal donkerrode draperieën, waar vier vergulde slangen overheen kronkelen.
Eerst denk ik dat de vuurrode laag op het bas-reliëf van Kali een draperie is die beweegt. Dan zie ik dat het druipend bloed is. Op deze binnenplaats, waar de gelovigen schouder aan schouder op elkaar gepakt staan, nemen de informele priesters met de gewaden opgeschort tot hun dijen, de schotels met hibiscus en goudsbloemen aan, terwijl twee slagers de levende dieren beetpakken. Onder de met bloed besmeurde godin zijgen de geiten bij de eerste messteek op de grond, en de hanenkoppen worden eraf gewipt als flessendoppen. Van het gebeeldhouwde gezicht zijn alleen de spleetogen en de mond van een verwend meisje zichtbaar. Een afgehakte buffelkop ligt als een akelig aambeeld aan haar voeten, het karkas is een meter verderop ter aarde gestort. Een bewaker schreeuwt dat ik mijn schoenen uit moet doen. Op de marmeren vloeren ligt een zee van bloed en slachtafval. De ranke vrouwen lopen hier blootsvoets, als priesteressen. Met gerammel en gerinkel van bellen lopen ze om het heiligdom heen. Grauwe straathonden liggen her en der te slapen op de roodgekleurde tegels, zich nergens van bewust.
Het beeld van Kali is een van die primitieve beelden die juist door hun onmenselijke geslotenheid een zo krachtige uitstraling hebben. De klassieke uitbeelding van haar is als een afschuwelijke vermorzelaar van demonen, die zich bedrinkt met bloed. In Dakshinkali aanvaardt ze slechts ongecastreerde mannelijke dieren als offer. Alleen Shiva kan haar in toom houden. In de yogapraktijk vertegenwoordigt hij het zuivere, passieve bewustzijn, zij de energie waardoor hij scheppend kan zijn. In andere verschijningen wordt zij een figuur van kosmische triomf, de brenger van verandering die tenslotte de tijd zelf verslindt en terugvalt in het oerduister. Soms wordt ze zelfs als mooi beschreven.
Ik klim weer uit het dal omhoog, waar de gezinnen onder de bomen van hun offeranden zitten te genieten. Iedereen is opgewekt behalve ik, die hypocriet walg van wat de abattoirs in het Westen verborgen houden. Langs het pad staan kraampjes waar snuisterijen en zachte speeltjes worden verkocht: hangertjes van teddybeertjes en dierenkoppen met de lachende monden van Disney.
dinsdag 21 oktober 2014
Liggend in bed, voor het slapengaan, herlees ik na bijna twintig jaar DE WETTEN van Connie Palmen. Ik herken van de inhoud nog maar weinig. Dat komt waarschijnlijk ook omdat ik het boek nu, na bijna twintig jaar, met andere ogen lees.
(pag. 205:) "Gistermiddag was ik toch bij die oude vriend van me, een beeldhouwer. Hij zei iets dat me erg raakte. Hij zei, je moet het voor jezelf doen, beeldhouwen, het is iets wat in zichzelf zinvol moet zijn, het maken. En dat de rest, alles daar omheen, circus is, onzin. Het heeft niks met het beeldhouwen te maken. Ik geloof dat hij daar gelijk in heeft."
"Ik niet. Eten en drinken kun je voor jezelf doen, en kennis vergaren, maar kunst kan volgens mij niet puur en alleen iets voor jezelf zijn. Kunst is toch ook de keuze voor een manier om met de anderen om te gaan, met de hele wereld, als het even meezit? Je kunt de wereld bereiken, via een ding, een beeld, een boek, en je kunt met de wereld praten zonder er zelf in persoon bij te hoeven zijn. Je bent er en tegelijk ben je er niet, is er alleen het ding, en breng je via dat ding je eigen bestaan in verband met het bestaan van iedereen. Je moet je durven laten bemiddelen door iets anders dan jezelf, iets wat toch jouw naam draagt."
"Klinkt ook weer heel waar."
(en vanaf onderaan pag. 206:) "Natuurlijk is iedereen kunstenaar, maar niet iedereen exposeert, publiceert, treedt op, dat is het verschil. Je bent volgens mij een kunstenaar wanneer je de gemaakte dingen los kunt laten. Zolang je je smartelijke gedichten, je schilderijen of molentjes van luciferstokjes in het dressoir laat liggen, heb je met de anderen niks van doen. Je wordt kunstenaar als je de grens overschrijdt, de drempel neemt naar het publiek. Dan pas stel je de wereld in staat betekenis te geven aan iets."
"Maar je hebt de wereld toch niet nodig."
"Misschien heeft de wereld jou nodig."
"Welnee, daar buiten zit niemand op Lucas Asbeek te wachten."
"Jawel, Lucas. Ik ben buiten. Ik wacht op jou, liefste."
"Soms spreek je als een orakel, Marie. Dan voel ik wel dat het waar is wat je zegt en dat je het goed met mij voor hebt, maar ik begrijp er niks van."
(tot zover)
Ja ja, je kunt wel zien dat ze doorgeleerd heeft, oes Connie!
Zittend aan tafel, 's morgens, lees ik VERREK HET IS GEEN KUNSTENAAR Gerard Reve en het schrijverschap van Edwin Praat, een zeer recente uitgave van de Amsterdam University Press. En daarin lees ik dat Gerard Reve zoveel intelligenter en interessanter omgaat met dezelfde thematiek. Veel creatiever en dubbelzinniger, humoristischer ook. Enfin, lees het zelf maar. Oes Connie kan de pot op! Al heeft ze natuurlijk niet helemaal ongelijk.
Blijf ik zitten met de vraag: zit er daar buiten iemand op mij te wachten?
(pag. 205:) "Gistermiddag was ik toch bij die oude vriend van me, een beeldhouwer. Hij zei iets dat me erg raakte. Hij zei, je moet het voor jezelf doen, beeldhouwen, het is iets wat in zichzelf zinvol moet zijn, het maken. En dat de rest, alles daar omheen, circus is, onzin. Het heeft niks met het beeldhouwen te maken. Ik geloof dat hij daar gelijk in heeft."
"Ik niet. Eten en drinken kun je voor jezelf doen, en kennis vergaren, maar kunst kan volgens mij niet puur en alleen iets voor jezelf zijn. Kunst is toch ook de keuze voor een manier om met de anderen om te gaan, met de hele wereld, als het even meezit? Je kunt de wereld bereiken, via een ding, een beeld, een boek, en je kunt met de wereld praten zonder er zelf in persoon bij te hoeven zijn. Je bent er en tegelijk ben je er niet, is er alleen het ding, en breng je via dat ding je eigen bestaan in verband met het bestaan van iedereen. Je moet je durven laten bemiddelen door iets anders dan jezelf, iets wat toch jouw naam draagt."
"Klinkt ook weer heel waar."
(en vanaf onderaan pag. 206:) "Natuurlijk is iedereen kunstenaar, maar niet iedereen exposeert, publiceert, treedt op, dat is het verschil. Je bent volgens mij een kunstenaar wanneer je de gemaakte dingen los kunt laten. Zolang je je smartelijke gedichten, je schilderijen of molentjes van luciferstokjes in het dressoir laat liggen, heb je met de anderen niks van doen. Je wordt kunstenaar als je de grens overschrijdt, de drempel neemt naar het publiek. Dan pas stel je de wereld in staat betekenis te geven aan iets."
"Maar je hebt de wereld toch niet nodig."
"Misschien heeft de wereld jou nodig."
"Welnee, daar buiten zit niemand op Lucas Asbeek te wachten."
"Jawel, Lucas. Ik ben buiten. Ik wacht op jou, liefste."
"Soms spreek je als een orakel, Marie. Dan voel ik wel dat het waar is wat je zegt en dat je het goed met mij voor hebt, maar ik begrijp er niks van."
(tot zover)
Ja ja, je kunt wel zien dat ze doorgeleerd heeft, oes Connie!
Zittend aan tafel, 's morgens, lees ik VERREK HET IS GEEN KUNSTENAAR Gerard Reve en het schrijverschap van Edwin Praat, een zeer recente uitgave van de Amsterdam University Press. En daarin lees ik dat Gerard Reve zoveel intelligenter en interessanter omgaat met dezelfde thematiek. Veel creatiever en dubbelzinniger, humoristischer ook. Enfin, lees het zelf maar. Oes Connie kan de pot op! Al heeft ze natuurlijk niet helemaal ongelijk.
Blijf ik zitten met de vraag: zit er daar buiten iemand op mij te wachten?
maandag 6 oktober 2014
dinsdag 23 september 2014
De handen van mijn moeder, op de buik waarin ik het leven kreeg.
Er is een wonderlijk verhaal verbonden aan mijn geboorte. De eerst jaren van hun huwelijk konden mijn ouders geen kinderen krijgen. Ze hebben van alles geprobeerd, maar niets lukte. Uiteindelijk werd besloten tot een chirurgische ingreep. Mijn moeder zag daar erg tegen op.
Een tante van mijn moeder heeft haar toen meegenomen naar de Belgische bedevaartplaats Banneux. Daar zou ooit de heilige Maria verschenen zijn, en er zouden wonderbaarlijke genezingen plaatsvinden.
Na dat bezoek vond de operatie plaats. Die slaagde, en op mijn geboortekaartje staat dan ook: "Met dank aan Maria van Banneux geven wij kennis van de geboorte van onze zoon Wolterus. Wij noemen hem Wout."
Ik zou het nu kunnen hebben over zoiets als basic trust, een term uit de psychologie. Mijn moeder: "Wat ik daar aan ellende in Banneux gezien heb, bij al die mensen die daar komen, dat deed mij denken: dan valt mijn verdriet eigenlijk best mee!" De ontspanning die dat teweegbracht legde een basis van vertrouwen in haar ziel die uiteindelijk de zwangerschap en mijn geboorte mogelijk maakte.
Ik zou het nu ook kunnen hebben over die cruciale momenten in mijn leven waarin basic trust mijn basis bleek te zijn waardoor ik de crises in het leven aankon.
En ik zou kunnen vertellen uit mijn ervaringen als bajespastor - hoe gedetineerden in hun eigen verhalen en in bijbel- en andere verhalen zoiets als basic trust herkenden, en operabel wisten te maken in hun eigen situatie.
Maar daar wil ik het niet over hebben. Ik ben momenteel meer geïnteresseerd in de verhalen die er aan ten grondslag liggen; aan de beeldvorming. Voor het MATER/MATRIX-project waaraan ik begonnen ben duik ik diep in de geschiedenis, in mijn en andermans cultuur, in de beelden waardoor wij omringd zijn: beelden van vrouwen, moeders, leven en dood, tederheid en geweld, bloed en tranen, mededogen en vervreemding. Uiteindelijk moet dat 'inkoken' tot een interactieve installatie: een kunstwerk als een meditatieplek, of een meditatieplek als kunstwerk.
Ik heb het al eens vaker gezegd: mijn kunstenaarschap is een voortzetting van theologie en pastoraat, maar met andere middelen!
Er is een wonderlijk verhaal verbonden aan mijn geboorte. De eerst jaren van hun huwelijk konden mijn ouders geen kinderen krijgen. Ze hebben van alles geprobeerd, maar niets lukte. Uiteindelijk werd besloten tot een chirurgische ingreep. Mijn moeder zag daar erg tegen op.
Een tante van mijn moeder heeft haar toen meegenomen naar de Belgische bedevaartplaats Banneux. Daar zou ooit de heilige Maria verschenen zijn, en er zouden wonderbaarlijke genezingen plaatsvinden.
Na dat bezoek vond de operatie plaats. Die slaagde, en op mijn geboortekaartje staat dan ook: "Met dank aan Maria van Banneux geven wij kennis van de geboorte van onze zoon Wolterus. Wij noemen hem Wout."
Ik zou het nu kunnen hebben over zoiets als basic trust, een term uit de psychologie. Mijn moeder: "Wat ik daar aan ellende in Banneux gezien heb, bij al die mensen die daar komen, dat deed mij denken: dan valt mijn verdriet eigenlijk best mee!" De ontspanning die dat teweegbracht legde een basis van vertrouwen in haar ziel die uiteindelijk de zwangerschap en mijn geboorte mogelijk maakte.
Ik zou het nu ook kunnen hebben over die cruciale momenten in mijn leven waarin basic trust mijn basis bleek te zijn waardoor ik de crises in het leven aankon.
En ik zou kunnen vertellen uit mijn ervaringen als bajespastor - hoe gedetineerden in hun eigen verhalen en in bijbel- en andere verhalen zoiets als basic trust herkenden, en operabel wisten te maken in hun eigen situatie.
Maar daar wil ik het niet over hebben. Ik ben momenteel meer geïnteresseerd in de verhalen die er aan ten grondslag liggen; aan de beeldvorming. Voor het MATER/MATRIX-project waaraan ik begonnen ben duik ik diep in de geschiedenis, in mijn en andermans cultuur, in de beelden waardoor wij omringd zijn: beelden van vrouwen, moeders, leven en dood, tederheid en geweld, bloed en tranen, mededogen en vervreemding. Uiteindelijk moet dat 'inkoken' tot een interactieve installatie: een kunstwerk als een meditatieplek, of een meditatieplek als kunstwerk.
Ik heb het al eens vaker gezegd: mijn kunstenaarschap is een voortzetting van theologie en pastoraat, maar met andere middelen!
dinsdag 16 september 2014
Ik ben er weer! De komende weken: teksten, beelden, associaties rondom MATRIX.
Ik weet wat ik doen moet! Wat een leven! Er is zoveel!
Ik weet wat ik doen moet! Wat een leven! Er is zoveel!
Abonneren op:
Posts (Atom)






